Terug
Rouw

Het pad van mijn vader

Java, Indonesië. Dat het warm is, merken we direct nadat we uit het kleine vliegtuig stappen dat ons met een binnenlandse vlucht naar Semarang heeft gebracht. Wanneer we voet aan de grond zetten, kijk ik mijn broer aan. We hebben ons reisdoel bereikt. Ik klem mijn hand nog wat steviger om mijn tas. Het is alsof ik de inhoud ervan duidelijk wil maken dat de bestemming nabij is. ‘Je bent er bijna, pa’. 

Uren daarvoor stappen mijn broer en ik op Schiphol in de grote blauwe vogel die ons naar het verre Indonesië zal brengen. In mijn handbagage een klein flesje met een deel van de as van onze vader. Kort na de Tweede wereldoorlog was hij als dienstplichtig militair gelegerd in Semarang, midden Java. Twee jaar lang deelde hij daar lief en leed met zijn dienstkameraden. Een indrukwekkende periode, zeker voor een twintiger. Hij had veel makkers verloren en uit de spaarzame verhalen die pa met ons deelde bleek dat zijn tijd in Indonesië diepe indruk op hem gemaakt had. Zijn thuis was Nederland; maar ook in Semarang lag een deel van zijn hart. 

Twee dienstkameraden speelden de hoofdrol in de verhalen die thuis verteld werden. Hun foto aan de wand in ons ouderlijk huis maakte duidelijk dat zij erg belangrijk voor onze vader geweest waren. Majoor Venema was omgekomen toen hij naast pa in de auto reed en het konvooi op een hinderlaag stuitte. Ook Dienstplichtig Soldaat Koster liet het leven tijdens een hinderlaag; hij was passagier in de jeep die mijn vader bestuurde en overleed in het ziekenhuis aan zijn verwondingen. Het verdriet en de heftige emotie over die twee gebeurtenissen zijn eigenlijk nooit meer weggegaan. Pa’s grootste wens: terug naar de plek waar hij zoveel herinneringen had liggen. Na zijn overlijden besloten mijn moeder, broers, mijn zus en ik die laatste wens ten uitvoer te brengen. Pa keerde alsnog terug naar Java. 

We komen aan bij het postkantoor van Semarang; in gedachten zie ik hoe pa wacht op de brieven van mijn moeder. Hij las ze onder het genot van een kop koffie en een sigaret bij Toko Oen. We besluiten ook daar een kijkje te nemen. Ik glimlach als ik zie dat ze ruim zestig jaar na dato nog steeds een sprits serveren bij de koffie. Wat was hij dol op die spritsen! De reis gaat verder naar de kazerne van Semarang. De taxichauffeur geeft ons aan dat we erop moeten rekenen dat we er niet naar binnen mogen. De kazerne is officieel in gebruik bij het Indonesische leger. We proberen het toch en na een gesprek met de beveiliging mogen we wonderwel het terrein op. De houten barakken brengen je meteen terug in de tijd. De klamme vochtige warmte doet je beseffen dat het destijds geen pretje geweest moest zijn om hier te verblijven. Je ruikt het verleden; je voelt dat hier veel gebeurd is. Na een gesprek met de legerleiding waarin we het verhaal van onze vader vertellen, worden we door een erehaag van militairen terug gebracht naar onze taxi. Een emotioneel moment.  

En nu staan we dan bij de poort van Ereveld Candi. We vragen bij de administratie naar de graven van Majoor Venema en Soldaat Koster. Een medewerker brengt ons naar het imposante veld waar meer dan 1000 Nederlandse militairen hun laatste rustplaats hebben gevonden.

Beide graven liggen dicht bij elkaar. We steken een kaarsje aan en branden wat wierook. Een kleine zwarte vlinder dartelt rond de witte kruizen. Dan pak ik het flesje uit mijn tas en met een brok in mijn keel verstrooi ik, bij de graven van zijn dienstmakkers,  samen met mijn broer de as van mijn vader. De cirkel is rond; ze zijn weer samen. We maken een buiging en lopen in stilte terug naar de taxi. Wanneer ik me omdraai en een laatste blik op de graven werp, heeft de zwarte vlinder plaatsgemaakt voor een witte. Het is goed. 

Edwin Martens. Tekst: Cick Geerts. Geplaatst 15-5-2020

Foto: oorlogsgravenstichting 
akkoord fotoplaatsing: mevrouw Helene Briaire– pers@ogs.nl